← Terug naar de homepagina

De Steinerpedagogie

Hoofd, hart en handen

Een wezenlijk kenmerk van de Steinerpedagogie is het streven naar een evenwichtige ontwikkeling van denken, voelen en willen. Daarom krijgen in ons onderwijs cognitieve vakken, kunstzinnige vorming, ambachtelijke en praktische vakken, sociale projecten, en beweging en lichamelijke ontwikkeling een gelijkwaardige plaats.

Leeftijdsgericht onderwijs

De ontwikkeling van jongeren verloopt in verschillende fasen. Ons onderwijs probeert zo goed mogelijk aan te sluiten bij de leeftijdsgebonden ontwikkeling van de leerling.

De middenbouw (7de en 8ste klas)

In de eerste graad gaan de leerlingen de prepuberteit in. Een leerkracht, die bij voorkeur zoveel mogelijk vakken zelf geeft, begeleidt de klasgroep en spreekt daarbij het beeldend denken en het inlevingsvermogen van de leerlingen aan. De leerlingen worden "aarderijp": dat merk je in de strekking van hun gestalte, de geslachtsrijpheid en in de geboorte van een eigen, steeds diepergaand gevoelsleven.

Bij de 12-jarige merken we een grotere scheiding tussen de eigen persoonlijkheid en de omgeving, met hevige gevoelens van sympathie en antipathie. Jongeren van deze leeftijd willen een grotere greep krijgen op de materie en op de buitenwereld, en willen grenzen verleggen.

In het eerste jaar, de 7de klas, komen vooral "ontdekkingen" aan bod, bijvoorbeeld in aardrijkskunde en geschiedenis. In het tweede jaar, de 8ste klas, vooral omwentelingen en "revoluties": het causale denken gaat overheersen, aangesproken via grammatica, mechanica, de studie van het skelet en het zwart-wit tekenen.

De bovenbouw

Vanaf de tweede graad zet de puberteit door en spreken we het abstractievermogen, de oordeelsvorming en de groeiende zelfstandigheid ten volle aan. De leerling legt een hele weg af om in het zintuiglijke het geestelijke terug te vinden.

9de klas

De leerlingen beleven zowel fysisch als psychisch de "zwaarte", en uiten dit bijvoorbeeld door ironie en sarcasme. Ondertussen zoeken ze wel naar een nieuwe verbinding met de wereld: ze worden het sterkst aangesproken door het materiële en het zintuiglijke, en zijn geboeid door het denken vanuit de feiten. Ze leren waarnemen, zich herinneren, structureren en praktisch oordelen.

10de klas

Leerlingen zijn vatbaarder voor het sociale en het beeldende denken. Lyriek, poëzie, atmosfeer, omhulling en omgeving worden boeiende instappen, zowel mentaal (poëzie in het vak Nederlands) als fysisch (aardrijkskunde: klimatologie, biosfeer). In aangepaste vorm komen deze inhouden ook in onze arbeidsmarktgerichte richtingen en specifieke kunstrichting aan bod.

11de klas

Dit is de fase van individuele verstilling, van innerlijk zoeken en van luisteren. De leerlingen werken aan een nieuwe verbinding tussen het innerlijke en het uiterlijke, onder meer via het Parcivalverhaal. Ze streven naar een beweeglijk en levendig denken over de eigen plaats in wereld en kosmos, door gesprekken, het verruimen van begrippen, en interesse voor het muzikale en het spirituele. In vakken als biologie en chemie belicht de leraar vooral de "innerlijke kant", zoals celleer, genetica en atoommodellen. In de arbeidsmarktgerichte richtingen werkt men vanaf deze klas volop richting beroepscompetenties, met aandacht voor thema's als duurzaamheid en ecologie.

12de klas

Het afsluiten en afronden staat centraal: het ontdekken van gehelen en het denken in grote samenhangen bevordert het globale denken. Vragen rond goed en kwaad, het zelfstandig kiezen, het afronden en presenteren van een eigen eindwerkstuk, en het samen opzetten van een eindreis en eindtoneel leiden tot de ontplooiing van een individueel oordeelsvermogen. De overstap naar de volwassenenwereld en het voorbereiden van levenskeuzen vanuit een eigen ideaal staan centraal.

← Terug naar de homepagina